Hoe zorg je ervoor dat een congres niet de zoveelste samenkomst is, maar dat het bijdraagt aan een positieve verandering? Er bestaan immers tal van evenementen, congressen en netwerkgelegenheden en voor je het weet ben je meer handen aan het schudden, dan dat de schouders onder de maatschappelijke opgave worden gezet. Na de Natuurinclusief Top in 2023 was het dan ook de vraag hoe het vervolgcongres in 2025 daadwerkelijk een volgende stapsteen in de natuurinclusieve beweging kon zijn. Zo werd de Natuurinclusief Manifestatie 2025 (NiM25) geboren.
Wat is manifesteren?
In gesprek met de organisatie van de NiM25, werd duidelijk dat manifesteren als doel heeft “dat mensen geraakt worden, zodanig dat ze natuurinclusiever gaan handelen, of dat nou via een deal is of op andere manieren zoals het initiëren van een nieuwe project of samenwerking”. Manifesteren gaat dus over het leggen van de juiste verbindingen; bij jezelf en tussen mensen met complementaire of geheel andersoortige praktijken: beleidsmakers, koplopers, financiers, innovators, maar ook studenten, werklozen, filmmakers en kunstenaars. Manifesteren gaat hiermee ook over het lef hebben een stap naar voren te zetten in een transitie om beweging in gang te krijgen en de dynamiek te veranderen; dit kan o.a. door deals te sluiten, nieuwe samenwerkingen te starten en andere doelgroepen te betrekken. Maar vooral door nieuwe verbindingen mogelijk te maken; verbindingen die je vooraf zelf nooit had kunnen bedenken of voorzien.
De NiM als lappendeken
Een goed transitiecongres ondersteunt een bredere beweging. Het is hiermee geen eindpunt of doel op zichzelf, maar een gebeurtenis die bijdraagt aan een lopende verandering. Om met de taal van Hans Vermaak te spreken (auteur van ‘De logica van de lappendeken’), diende de NiM bij te dragen aan verbindingen in de natuurinclusieve ‘lappendeken’. Waarin elke natuurinclusieve pratijk een lapje of onderdeel is van het grotere geheel; of dat nou een nieuwe strategie is of een burgercollectief dat bomen plant. De NiM kende daardoor allerlei verschillende activiteiten en momenten om op verscheidene manieren aan verbinding te werken.
- Springplanken vooraf: het verbinden met andere evenementen door het jaar heen
- Deals in aanloop: stakeholders uitdagen tot het sluiten van deals in aanloop naar de NiM
- Excursies: het bezoeken van koplopers om met de voeten in de klei te staan
- Bestuurdersdiner: om sleutelfiguren samen te brengen en deals te versnellen
- Werksessies: meer dan 50 inhoudelijke sessies op de NiM om te manifesteren
- Beleving: een markt, muziek en onverwachte programmering op de NiM om onverwachte verbinding te stimuleren
Zes gouden lessen voor andere transitie-congressen
Reflecterend op het evenement, formuleren we graag een aantal lessen die wellicht voor andere evenementen of toekomstige manifestaties van waarde kunnen zijn, of ter inspiratie kunnen dienen.
1. Ontwerp ruimte voor meerdere type verbindingen
Op de NiM herkenden we meerdere type verbindingen: het vieren, het zaaien en het bezinnen.
Vieren is het bekrachtigen van werk dat vooraf is gedaan, denk hierbij aan deals, coalities of manifesten die klaar zijn om publiekelijk bevestigd te worden. In aanloop naar het evenement kun je als organisatie betrokken stakeholders helpen scherp te houden wat zij te vieren hebben. Als voorbeeld, werden de sessiebegeleiders actief uitgevraagd wat hun manifesterende vraag in de sessie was. Tijdens het evenement is het belangrijk een podium te bieden om deals te vieren.
Zaaien is het scheppen van nieuwe verbindingen en afspraken die later eventueel tot projecten, onverwachte samenwerkingen, financiering of beleidswijzigingen uitgroeien. Hiervoor is ruimte in het programma nodig om elkaar te ontmoeten, gepland en ongepland. Voldoende sessies met een divers aanbod zorgt voor kwaliteit in verbinding. Maar ook genoeg ruimte om niet in sessie te zitten, is hiervoor van waarde.
Bezinnen draait om geraakt worden: een moment voor jezelf waarin je een gevoel of een boodschap tot je kan laten doordringen. Dit kan zowel georganiseerd (bijv. via de is-en-wasstraat, een dans of filmvertoning) of onverwachts (een vlucht ganzen dat opstijgt tijdens een excursie) tot stand komen.
Elke energie vraagt om andere ruimtes, ritmes en regels: het een vraagt om een zichtbaar podium, het ander om een goed gesprek en een derde vraagt om een belevenis. Die drie kunnen elkaar versterken (een dans in de zaal) of elkaar tegenwerken (elkaar niet kunnen verstaan tijdens een goed gesprek). Het is goed om na te denken wat voor soort energie je wilt stimuleren en hoe je verschillende bewegingen en momenten elkaar kunt laten versterken.
2. Creëer ruimte voor doorbraakmomenten
Koppel je evenement aan zaken die bestuurlijke en maatschappelijke tractie geven. Op NiM25 was dat bijvoorbeeld het Manifest Netto Natuurwinst, dat werd ondertekent op het bestuurdersdiner. De NiM heeft meer dan 10 van zulke deals opgeleverd en dergelijke ankers maken van een congres een versnellingspunt.
3. Breng de transitie naar de mensen toe
Sessies op een congres zijn vaak samenvattend of activerend. Om de opgave echt te doorleven, helpt het om met beide voeten in de klei te staan. Het zorgt voor andere gesprekken. Een voorbeeld is het organiseren van excursie-dagen voorafgaand aan het congres. Dit laat deelnemers uit verschillende hoeken even samen op dezelfde grond staan: dezelfde lucht, dezelfde context. Dat schept realisme, vertrouwen en een gedeelde taal voor de manifestatiedag. Gebruik excursies ook voor het betrekken van onverwacht doelgroepen (bv. jongeren, financiers).
4. Laat ruimte over voor ongeregisseerde ontmoetingen
Als je wilt zorgen dat mensen verbinden met elkaar aangaan, moet je daar ook ruimte voor bieden. Zorg er bijvoorbeeld voor dat niet iedereen in sessies plaats kan nemen zodat men automatisch tot gesprek of ontmoeting wordt aangezet. Creëer ook lucht en ruimte in het programma en op de locatie (prop dus niet alles vol) om spontane ontmoetingen en verbindingen te stimuleren. Men zoekt elkaar in de rand van het programma dan vanzelf op of komt elkaar tegen; bovendien weten mensen vaak zelf het beste hoe ze in verbinding met anderen willen treden en waar ze naar op zoek zijn.
5. Maak verschillende manieren van verbinden mogelijk
Op de NiM kon je bij de entree kon je tussen verschillende kleuren keycords die duiden op in welke sector je werkzaam bent. Op je naamkaartjes stond de naam van de organisatie waar je werkt. Hiermee spreek je echter één specifieke manier van verbinden aan die meer gericht is op vertegenwoordigers van organisaties (‘hoi ik ben … van ….’). Er zijn echter tal van andere manieren mogelijk om verbinding te stimuleren: je drijfveren, de beweging waar je aan bijdraagt, je totemdier, waar je je op dagelijkse basis mee bezighoudt. Door klein te interveniëren (wat zet je op de naamkaartjes?) kun je andersoortige verbindingen stimuleren (‘Mijn totemdier is ook een uil!’).
6. Vergeet niet te oogsten
Het evenement is slechts een momentopname. Er ontstaan verbindingen in aanloop naar, rondom, tijdens en na de NiM: onverwachtse verbindingen, deals die gesloten worden of uitwerking verdienen, collega’s die geïnspireerd terugkeren in hun organisatie. Borg zowel de concrete output (bijv. in een e‑magazine zoals deze), maar zorg bijvoorbeeld ook voor een platform achteraf waar nieuwe deals gevierd kunnen worden. Met andere woorden, houd scherp tijdens de organisatie van een evenement dat het eindpunt niet het evenement zelf is, maar de nasleep erna ook aandacht verdient.
Conclusie
Van handtekeningen van bestuurders en CEOs tot een nieuw verworven stageplek van een student. Manifesteren draait om het creëren van beweging. En ook al gaan onverwachte verbindingen ook vanzelf, je kunt als organisatie een positieve impact hebben op beweging door zowel in aanloop naar, als tijdens en achteraf verbinding te stimuleren. Soms zit dit in programmeringskeuzes (niet teveel) en soms juist in activatie vooraf (wat heb jij te vieren?).
Het belangrijkste besef is dat je als organisatie het manifesterende component in ieder onderdeel van je programma kunt integreren: van (rand)programmering tot keycords en alles ertussenin. Zelfs de titels van initiatieven op de markt kunnen ertoe leiden dat sommige kramen druk bezocht worden en andere niet (formuleer een hulpvraag of concreet aanbod). De manifestatie is hiermee op 10 december in de Brabanthallen gevierd en versneld, maar leidt hopelijk met name op langer termijn voor beweging en impact.
Met participatie zoeken naar steun en bevestiging voor een initiatief is niet verwonderlijk in het systeem zoals we dat nu hebben ingericht. Want voor het organiseren van een participatieproces heb je capaciteit en budget nodig. Dat krijg je vaak pas als je het initiatief hebt uitgedacht, er een planning aan gekoppeld hebt, en als bestuurders, politici of ‘bevoegde gezagen’ akkoord geven. Dan krijgt het initiatief dus al bestaansrecht en voorstanders. Bewust of onbewust wordt een participatieproces dan georganiseerd als steun en bevestiging van dat de initiatiefnemer op de goede weg is met de probleemdefinitie en oplossingsrichtingen. Je zou het ook wel ‘draagvlakparticipatie’ kunnen noemen. Als je met die bril het participatieproces ingaat, dan zie je ook vooral een bevestiging van wat je al dacht. Als ik bijvoorbeeld vraag: “heeft het participatieproces nog iets nieuws opgeleverd?” Dan krijg ik meestal het antwoord dat dat niet het geval is. Soms opgewekt, omdat het initiatief door kan, maar soms toch ook wel met een lichte teleurstelling in de stem.
Als de kaders krap zijn, de participanten bekend, en de oren gespitst op bevestiging, kom je natuurlijk niet snel tot iets nieuws. Wat als het doel van participatie juist is om af te wijken, om blinde vlekken in te kleuren, om tegenwerpingen te verkennen, om andere perspectieven op het spoor te komen? Om, met andere woorden, niet meer van hetzelfde, maar een transformatie te bereiken. Transformatie is een fundamentele verandering in de manier van kijken, denken en werken rond de opgave (het probleem of de kans) waar het initiatief een oplossing voor biedt. Dat gaat verder dan oppervlakkige aanpassingen, zoals nu regelmatig het geval is met de inbreng van participanten, het verandert de kern. Het gaat om het veranderen en soms ook loslaten van patronen, dat kan zowel rond de inhoud van de opgave zijn, als om de manier waarop we die opgave aanpakken. De uitkomst van transformatieve participatie is daarmee onvoorspelbaar. En daar moet je maar net voor open staan, de tijd voor hebben, de ruimte voor krijgen of zin in hebben. Er zijn dan ook legitieme redenen om participatie op een lichte wijze in te richten als bijvoorbeeld de wettelijke of politieke kaders nauw zijn, de tijdsdruk hoog of de opgave specialistisch. Heel vaak, echter, is die reden er niet en is de vorm waarin participatie plaatsvindt een keuze. Hieronder daarom zes invalshoeken die transformatieve participatie anders maken dan draagvlakparticipatie.
Wanneer transformatieve participatie het doel is, kies je andere participanten. Dan gaat het niet om een representatieve groep, maar veel meer om een diverse groep. Dan is variatie belangrijk: het verzamelen van verschillen totdat er weinig nieuwe perspectieven meer bij komen. Het vraagt om input van groepen buiten de kaders en belevingswereld van de initiatiefnemer. Anders krijg je vragen en suggesties die je zelf ook had kunnen bedenken. Bij een beleidsinitiatief gaat het bijvoorbeeld om het betrekken van praktisch opgeleiden of ervaringsdeskundigen. Precies dat wat de (beleids)makers en managers van het initiatief niet kenmerkt. En dat betekent niet zelden een stem geven aan minderheden. Dat kunnen bepaalde etnische groepen zijn, maar even zo pioniers, koplopers en ‘early adopters’. Deze groepen zijn niet altijd al bekend bij de start en komen soms pas gaandeweg in beeld. De groepen die al in beeld zijn kunnen ook meedenken met de definitie van de opgave en het ontwerp van het participatieproces en dus niet alleen met de oplossingsrichtingen.
Inzetten op transformatieve participatie vraagt een andere benadering van de stappen die we nu vaak zetten. Het vraagt om een langere doorlooptijd met meer aandacht voor en betrokkenheid bij de opgave om transformatie te kunnen waarnemen. Geen ‘snelkookpanparticipatie’, waarbij het proces onder hoge tijdsdruk wordt doorlopen of ‘koekoekslokparticipatie’, waarbij de initiatiefnemer zich telkens even kort laat zien. Om de kern van onze manier van kijken, denken en werken wezenlijk te veranderen, is een doorlopend proces met een opeenstapeling van kleine stappen nodig. Dat hoeft niet altijd met dezelfde participanten, maar wel voortbordurend op eerdere inzichten en dicht tegen het ontwerp- en uitvoeringsproces aan. Dit is best lastig in de huidige mal van politiek-bestuurlijke processen en vraagt om een strategische kijk op participatie en het voortdurend aanpassen van de aanpak. Daarbij ligt niet de focus op overeenstemming en onderschrijving, maar op verschil en verbetering. Een voorbeeld waarin participanten werden uitgenodigd om juist in te brengen wat er anders en beter kon, waren de botsproeven rond de Omgevingswet, net als de botsproeven met nieuwe voertuigen.
Het maakt ook dat het in interviews en enquêtes bevragen van participanten waarschijnlijk onvoldoende nieuwe inzichten biedt. Het nieuwe kun je namelijk nog niet kennen. Ons voorstellingsvermogen moet geprikkeld worden en nieuwe inzichten komen voort uit ervaringen (zie hiervoor ook het boek ‘Het is aan ons’ van Merlijn Twaalfhoven). In interviews op straat bleken destijds weinig mensen een draagbare telefoon nodig te vinden, maar eenmaal met mobiele telefoon kunnen veel mensen niet meer zonder. Transformatieve participatiebijeenkomsten zijn meer ervaringsexperimenten. Maak je bijvoorbeeld beleid over afvalscheiding en bevraag je mensen op het scheiden van hun afval, dan vinden ze het wellicht al snel gedoe. Terwijl als je met elkaar in een keuken een opstelling van afvalbakken test, kom je er snel achter wat voor wie wel en niet werkt. Met AI-filmpjes en VR-brillen wordt het ook steeds makkelijker om het nieuwe voorstelbaar en beleefbaar te maken. Uit het gedrag van mensen in nieuwe situaties is vaak meer informatie te halen dan uit hun woorden over die nieuwe situaties. Observeren wordt daarom een belangrijkere vaardigheid van begeleiders van transformatieve participatie. Evenals ‘makerschap’ om opstellingen, installaties en experimenten te maken (zie voor meer achtergrond het boek ‘Maakkracht’ van Tabo Goudswaard en Jetske van Oosten).
Bij transformatieve participatie hoort ook een andere manier van vastleggen. De samenvattingen van participatiebijeenkomsten zijn nu vaak een gemiddelde van wat de meerderheid vond. Willen we transformatie stimuleren, dan zou de samenvatting juist alle verschillende perspectieven die ingebracht zijn moeten vertolken. Ook als dat maar door één persoon is ingebracht. Vanuit het doel van transformatie kies je wellicht ook voor een andere manier van waarderen en bedanken van de participanten. Nu is de beloning voor deelname vaak gericht op de kans dat zij invloed hebben en hun belang of input meegewogen wordt. Wanneer het niet om representativiteit, maar om diversiteit gaat, hebben de participanten niet altijd direct belang bij de uitkomst. Of niet op korte termijn, omdat het om een langer proces van transformatie gaat. Andere vormen van beloning kunnen participanten dan meer motiveren om mee te doen. Denk aan een portretserie of knipbeurt tijdens de sessie, het versterken van vaardigheden, het uitbreiden van hun netwerk, verandering in hun buurt of een financiële vergoeding. Specialisten en ervaringsdeskundigen worden immers ook betaald voor hun inbreng.
Wanneer transformatieve participatie het doel is dan vraagt dat ook om een andere beoordeling van wanneer het geslaagd is. Een participatiebijeenkomst beoordelen we nu vaak als geslaagd wanneer het soepel en harmonieus verliep en tegenstanders of actiegroepen beheerst zijn gebleven. Wanneer we transformatieve participatie als uitgangspunt nemen dan brengt dat ook conflict en onrust met zich mee. Bijvoorbeeld een conflict tussen de gevestigde orde en de nieuwe orde. Dat conflict en de daaruit voortkomende spanning is onoverkomelijk en zelfs noodzakelijk wanneer transformatie het doel is. Emoties als boosheid en frustratie kunnen ook de motivatie en urgentie vergroten om in beweging te komen en iets te doorbreken. Dat betekent echter niet dat de sfeer grimmig of de houding agressief mag worden, maar wel dat tegenspraak juist welkom is. Dan is de kans ook groter dat tegensprekers, of beter ‘anders-sprekenden’, zich meer gehoord voelen, en zich niet fel hoeven te verdedigen. Begeleiders van transformatieve participatie moeten dus ongemak kunnen verduren en een dialoog kunnen begeleiden waarin verschillen gewaardeerd worden.
Tot slot vraagt transformatieve participatie om een andere opstelling van de initiatiefnemer en participanten. Zij moeten zelf ook bereid zijn om te veranderen in plaats van de eigen manier van kijken, denken en werken te laten bevestigen. Wanneer zij open het participatieproces ingaan, nieuwsgierig naar hoe het anders kan, zullen zij door elkaars inbreng, de eigen inbreng aanpassen. Het is dus niet alleen de ander proberen te beïnvloeden, maar ook jezelf laten beïnvloeden. Dit vraagt een ander soort gespreksbegeleiding en andere gespreksvormen die die wederkerigheid mogelijk maken. De initiatiefnemer zal breder moeten kijken dan alleen het eigen of kortetermijnbelang, en ook bereid moeten zijn om zichzelf ter discussie te stellen. De initiatiefnemer moet voorbereid zijn op een mogelijk ontwrichtende uitkomst. De machtsbasis kan bijvoorbeeld gaan verschuiven door minderheden meer macht te geven. Veranderingen in de systeemwereld kunnen bestaande privileges of zekerheden op het spel zetten. Transformatieve participatie leidt dus tot andere uitkomsten, ook al zijn die soms klein. Bij een transformatief participatieproces kan het antwoord op de vraag: “heeft het participatieproces iets nieuws opgeleverd?” dus geen “nee” zijn. Dan is het participatieproces nog niet klaar.
Transformatieve participatie is een welkome toevoeging op bijvoorbeeld ‘draagvlakparticipatie’, ‘snelkookpanparticipatie’ of ‘koekoeksklokparticipatie’. Vooral bij opgaven die al een tijdje op slot zitten, veel weerstand kennen of waarin besluiten uitgesteld worden. Of bij grotere beleidsdossiers waarin het bestaande overduidelijk niet meer werkt, of bij vernieuwingen waarbij de eindgebruiker centraal staat. Omdat we hier nog weinig praktijkervaring mee hebben, zijn er nog veel vragen en zaken om mee te experimenteren. Welke opgaven en initiatieven lenen zich wel en niet voor transformatieve participatie? Als er een belangenafweging gemaakt moet worden, is draagvlakparticipatie waarschijnlijk passender. Wanneer is het transformatief genoeg? Wat is de meerwaarde voor de initiatiefnemer en de participant op de korte termijn? Kan de begeleider van transformatieve participatie neutraal zijn of verbindt die zich aan de transformatie; het nieuwe en het andere? En heeft de begeleider een rol om het stille midden in beweging te brengen om massa te krijgen voor de transformatie? Hoe maak je een sessie met praktisch en theoretisch opgeleide participanten het meest effectief? Mag een transformatief initiatief ook zonder draagvlak worden doorgezet?
Ik ben benieuwd hoe jij kijkt naar de kansen van transformatieve participatie en of je er wellicht al voorbeelden van hebt. Misschien verandert dit blog iets in jouw manier van kijken naar en denken over participatie en kun jij mij weer aanzetten tot denken, zodat we samen ook het participatielandschap blijven transformeren.